Gepubliceerd op 16 maart 2017

Een controle van de Belastingdienst: Wat nu?

Elk jaar om deze tijd krijgen veel Nederlanders een brief van de Belastingdienst. Het is weer zo ver: tijd voor het indienen van de aangifte. Ook elk jaar schrijft en adverteert de Belastingdienst weer met de slogan: Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker.

Maar is dat nu echt zo? Enerzijds wordt het makkelijker omdat de Belastingdienst een gedeelte van de gegevens al invult, maar aan de andere kant moeten deze gegevens wel worden gecontroleerd. Daarbij zal de belastingplichtige toch standpunten in moeten nemen. Van belang is dat de gegevens die de inspecteur vraagt eigenlijk geen betrekking hebben op feiten, maar een kwalificatie van de feiten. Een belastingplichtige kan namelijk niet aangeven ik heb van bedrijf X een bedrag Y ontvangen. Nee, de belastingplichtige moet dit bedrag in een ‘hokje’ duwen, bijvoorbeeld het hokje loon uit dienstbetrekking of winst uit onderneming. Dit is het kwalificeren van het bedrag, een taak die eigenlijk aan de Belastingdienst is voorbehouden. Nadat de aangifte is ingediend, gaat de Belastingdienst aan de gang. Het merendeel van de aangiften wordt door de computer gecontroleerd en slechts een beperkt deel komt in aanmerking voor een controle door een medewerker van de Belastingdienst. Deze controles vinden met name plaats bij ondernemers.

Verplichtingen
De Belastingdienst kan bij een ondernemer een boekenonderzoek, bedrijfsbezoek, waarneming ter plaatse en derdenonderzoek houden om inzicht te krijgen in de onderneming en deze te controleren. Meestal stelt de inspecteur daarbij veel vragen. Dat is meteen een van de belangrijkste verplichtingen. Op grond van artikel 47 AWR is de belastingplichtige verplicht om desgevraagd inlichtingen te verstrekken aan de inspecteur die van belang kunnen zijn voor zijn belastingheffing. Dit lijkt eenvoudig, maar de praktijk wijst uit dat het dat niet is. De inspecteur mag alleen vragen naar de feiten. De mening of overtuiging van de belastingplichtige is niet interessant. De vraag ‘Is de handel in kleding de bron van inkomen geweest?’, mag de inspecteur niet stellen omdat hij dan vraagt om feiten te kwalificeren. Wat de inspecteur wel mag vragen is bijvoorbeeld ‘Heeft u kleding ingekocht en verkocht?’. En daarop dan, indien nodig, doorvragen. Voor ondernemers geldt daarnaast dat zij op grond van artikel 52 AWR verplicht zijn om een administratie bij te houden. Over de reikwijdte van die verplichting is veel te zeggen. Kern is dat de administratie moet voldoen voor het bedrijf van de ondernemer. Duidelijk is dat dit voor de slager op de hoek anders ligt dan voor bijvoorbeeld een multinational als Shell.

Rechten
Naast de verplichtingen heeft een belastingplichtige ook zeker een aantal belangrijke rechten. Zo hoeft een belastingplichtige geen antwoord te geven op vragen die zijn gericht om aan hem een boete op te leggen. Een ander recht dat de ondernemer heeft, is eigenlijk een verbod dat de inspecteur heeft namelijk het ‘snuffelverbod’ ofwel het verbod op een fishing expedition. De inspecteur mag bijvoorbeeld niet eigenmachtig laden/kasten openen of de archiefruimte betreden. De inspecteur zal gerichte vragen aan de ondernemer moeten stellen in plaats van zelf op zoek te gaan naar fiscaal interessante stukken.

Conclusie
Hoewel de praktijk uitwijst dat een ondernemer minder vaak wordt geconfronteerd met een controle van de Belastingdienst, betekent dit niet dat hij achterover kan leunen. De perikelen die verbonden zijn aan een controle worden namelijk wel groter. De reden daarvoor is dat niet alleen de belastingplichtige doet aan grensverkenning, ook de inspecteur experimenteert met wat toelaatbaar is. Het is dus van groot belang dat u de controle goed voorbereid en weet wat uw verplichtingen, maar ook zeker uw rechten zijn.

  1. M.H.W.N. (Marloes) Lammers, Jaeger Advocaten-belastingkundigen

Onze partners