Gepubliceerd op 30 november 2016

Duurzaam denken door ketensamenwerking

Ketensamenwerking in de bouw: een verbeterde vorm van samenwerken of oude wijn in nieuwe zakken? En draagt het bij aan duurzaam bouwen? Deskundigen spraken er over bij de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen.

Frank Spuij, directeur HAN 
Built Environment omschrijft het fenomeen ketensamenwerking als volgt: “De traditionele vorm van bouwen is 
in stapjes. Er wordt een bouwvraag geformuleerd, bestek uitgeschreven, dat 
gaat de markt op en aanbieders reageren. 
Heel fragmentarisch dus. Dat kan tot niet efficiënte situaties leiden. Een mooi voorbeeld hoorde ik van iemand die prefab elementen maakt. Hij had het geplaatst en een paar dagen later ziet hij er iemand in staan hakken vanwege het plaatsen van een leiding. En 
dan ook nog precies op de plek waar de bewapening zit. Als ze van tevoren afgestemd hadden, dan had die sleuf meteen in het prefab element gestort kunnen worden. Ketensamenwerking is in de hele keten, 
van opdrachtgever tot eindgebruiker, alle aspecten op een goede manier meenemen. Uiteraard heeft iedereen zijn – financiële- belangen. Maar elkaar tegenwerken is niet goed. Je doet ’t met elkaar. Uiteraard horen daar ook aspecten van verduurzaming bij. Enerzijds wordt het technisch vertaald, maar het gaat ook om het besef dat iemand verder moet met wat je aan het maken bent”. 
Peter Koenders, directeur van Koenders Totaalbouw, kent ketensamenwerking uit de praktijk: “Wij werken in ons onderhoud veel met vaste partijen. Je kent elkaar.

Mensen op de werkvoer kennen elkaar en helpen elkaar. Als je je bewust bent van elkaars werkzaam-heden dan ben je zorgvuldiger naar elkaar 
toe. Ketensamenwerking begint met overleg. Samen de planning opstellen en dagelijks bespreken wie wat gaat doen en wie hulp nodig heeft. Dan krijg je goede ketensamen-werking. Maar ketensamenwerking gaat verder. Je bedenkt ook samen waar de risico’s liggen in het proces en hoe je dat samen 
op kunt vangen. Dat drukt de kostprijs.” 
Werner Willems, directeur van Willems technisch adviesbureau bv, toont zich kritisch: “Ik heb ketensamenwerking opgezocht in Wikipedia. Daar staat het omschreven als het managen van alle activiteiten in de keten, met coördinatie van de verschillende schakels. Tsja, twintig jaar geleden wilden we de hele keten ook al optimaliseren. Is het niet een nieuw modewoord voor samenwerken in de bouw? Integraal bouwen, aan tafel komen zitten en de aanpak bespreken, vind ik overigens een goed uitgangspunt. Waarom? Omdat je in het begin van het proces de juiste beslissingen moet nemen omdat je er anders later in de exploitatie veel last van krijgt. 
Dat kan ook betekenen dat je moet kiezen voor een duurdere pomp, maar wel eentje die in het gebruik minder energie nodig heeft.”
Rob Hagemans, directeur van De Variabele Strategie en Innovatie: “Heel bepalend is welke project- of inkoopstrategie de opdrachtgever wil volgen bij de renovatie 
van een complex. Gaat het om de laagste prijs, dan kom je uit bij de traditionele manier van bestek schrijven en de markt benaderen. 
Maar bij groot onderhoud, met energetische verbeteringen, is sprake van een andere vraagstelling. Zeker als je dat koppelt aan beheer en exploitatie. Dan moet je met partijen om tafel.”

Werner Willems onderschrijft dat: “De mate 
van samenwerking wordt door de opdracht-gever bepaald en gestuurd. De opdrachtgever bepaalt dus de mate van ketensamenwerking. Als die van tevoren zegt: jongens, we gaan allemaal bij elkaar zitten en bedenken een plan, dan komt er een goed stuk werk uit.”

Robert Weijers is manager vastgoedbeheer 
bij woningcorporatie Volkshuisvesting Arnhem: “Ik denk dat ketensamenwerking 
te maken heeft met vertrouwen en transparantie. Vertrouwen is er wel, transparantie niet. Dat maakt dat je vaak kiest voor de laagste prijs.” Volkshuisvesting Arnhem zoekt naar nieuwe wegen van samenwerken, maar wil de technische kennis wel in huis houden. Er wordt wel steeds meer vanuit strategie gedacht, vertelt hij: “We hebben een aantal duurzaamheidsprojecten op stapel staan. Aan de rand van de Geitenkamp in Arnhem, op een mooie locatie, staan HAT-eenheden waar we verder mee willen. Verder gaan betekent investeren, verduurzamen.
Dan kijken we 25 jaar vooruit. Dat bepaalt de aanpak voor een project. Daar kun je dan partijen bij zoeken en de eindgebruiker erbij betrekken.”
Peter Koenders reageert op het erbij betrekken van de eindgebruiker: “Enerzijds gaat het om kostenbeheersing, maar ook klanttevredenheid speelt een rol. Hoe weten we of ons werk gewaardeerd wordt door de gebruiker? Tegenwoordig sturen we per app een smiley naar hem toe waarmee hij kan aangeven of hij wel of niet tevreden is. Krijgen we een smiley terug die sip kijkt, dan weten we dat er nog iets speelt en gaan we terug. Zo stuurt de klant op verbetering.” Peter Koenders doet ook schadereparaties voor verzekeringsmaatschappijen. Met hen heeft hij een dusdanige vertrouwensband opgebouwd dat hij bij meldingen onder de 
€ 10.000,- zelfstandig kan herstellen. Er komen geen formulieren aan te pas. De gebruiker weet snel waar hij aan toe is en de reparatie wordt vlot aangepakt.

Ambities op tafel
Ketensamenwerking in de bouw wordt tijdens het gesprek diverse malen in verband gebracht met duurzaamheid. Dat is hard nodig volgens Wim Nabbe, coördinator van het samenwerkingsverband Duurzaamheid Expertise Centrum Liemers. Hij verklaart de huidige manier van bouwen en wonen voor failliet in het licht van de eindigheid van energie en grondstoffen. Wim Nabbe: “Je moet fundamenteel gaan kijken hoe we die transitie vorm moeten geven. Daar kunnen we niet te lang mee wachten. Als woningbouwcorporatie kan je een maatschappelijke opgave maken van de verduurzaming van een wijk. Gooi die ambitie maar om tafel en zoek er deskundigen bij. Vraag ze om mee te denken om die verduurzaming zo handig mogelijk vorm te geven. Ik denk dat je ook de HAN erbij moet betrekken.” 
Ron van Wijk is directeur van Ingenieursbureau GFSC en mede-initiatief-nemer van cirkelstad Arnhem-Nijmegen. Hij vraagt zich af of opdrachtgevers wel in staat zijn om de juiste partijen bijeen te zoeken voor ketensamenwerking. Steeds meer oplossingen zijn volkomen nieuw en komen uit onverwachte hoek. Ron van Wijk: “Zowel aan de aanbod- als de vraagzijde moet je innoveren om de uitvraag te triggeren, te zorgen dat er een andere uitvraag komt. We willen een andere uitvraag realiseren door nieuw aanbod. Ik denk bijvoorbeeld aan modulair bouwen met wanden die infrarood warmte afgeven en intelligente sensoren bevatten voor het plaatselijk afstemmen van de verwarming. Die modules zijn verplaatsbaar, zodat gebruikers ermee kunnen schuiven als ze hun huis anders willen inrichten omdat de kinderen het huis uit gaan. Ze kunnen eigendom blijven van de aanbieder, zodat hij ze na gebruik terug kan nemen en kan hergebruiken.” Soms zijn echt verrassende partijen in de keten nodig, vertelt Ron van Wijk ook. Zo schakelde nutsbedrijf Liander op een gegeven moment een kermisexploitant in. Die had verstand van verplaatsbare dakconstructies. Rob Hagemans: “Hoe kies je je keten? Want je bent geneigd binnen kader te denken of net annex. Maar innovatie komt altijd van de randen van je businessmodel, nooit uit de kern. Vaak zijn het technieken van andere branches die dan ineens een revolutie mogelijk maken.”

Toepasbaarheid
Rob Hagemans nuanceert de discussie door te stellen dat bij innovatieve bouwplannen vaak wordt uitgegaan van nieuwbouw: “Maar niet voor niets is de pay-off van ons bedrijf ‘Toekomst geven aan bestaand bezit’. In Nederland staan zeven miljoen woningen. Als er in een jaar 70.000 worden gebouwd haalt dat het NOS-journaal. Dat is 1 procent van de voorraad. Daarom zeggen wij: de woning van de toekomst staat er al. We moeten het doen met de voorraad die er staat en die voldoet niet, technisch en energetisch. Maar we gaan hem niet slopen. Dus er is een enorme opgave om juist binnen alle beperkingen er toch een beter woonproduct van te maken.” Ron van Wijk denkt dat zijn technische toepassingen heel goed passen in bestaande bouw. Hij geeft als voorbeeld de renovatie van een bestaande fabriekshal tot kantoorruimte. “Je kunt in die kantoorunits mensen aanstralen met infraroodverwarming, waarbij ze hun eigen warmtecomfort kunnen sturen. Traploos, op de plek waar ze zitten, op het moment dat ze er zitten. Dan kun je veel energie besparen. Kantoorleverancier Ahrend denkt hierin met ons mee. Dat was vroeger ondenkbaar. Ik vind dat fantastisch.”
Peter Koenders herkent dat laatste: “Fabrikanten hadden vroeger een enorme afstand tot het eindproduct. Die leverden via de handelaar en de onderaannemer en uiteindelijk werd het toegepast. Nu komen ze al eerder in het proces aan bod en denken mee over toepassingen. Waar heeft de klant behoefte aan? Duurzaamheid is daarbij dé opgave.”

Eindgebruiker
Wim Nabbe heeft een project onder handen waarbij de eindgebruiker nadrukkelijk in beeld is. Het gaat om de benadering van zestig-plussers waarbij de kinderen uit huis zijn. Dat is een prachtig natuurlijk moment om met hen na te denken over levensloopbestendig wonen, comfort, onderhoud en verduurzaming. 
Bij woningbouwcorporaties zijn die eindgebruikers voortdurend in beeld, vertelt Robert Weijers: “Immers, je wilt de huurder tevreden hebben. Want zonder tevreden huurder heb je een lege woning. En een lege woning kost geld. Zo simpel is het. Daarom investeert de woningbouwcorporatie in duurzaamheid.” Onlangs sprak hij daar een bewoner over. Die had 700 euro terug gekregen bij zijn jaarlijkse eindafrekening van de energielasten. Dat motiveert. Tegelijk is Robert Weijers realist. Duurzaam investeren kost vaak extra geld. Dat moet er wel zijn. Een derde deel van onze huurinkomsten wordt omgezet in onderhoud. Dat kun je snel omrekenen naar een onderhoudsnorm. Je weet wat je te besteden hebt per jaar. Het valt Robert Weijers ook op dat deskundigen moeite hebben om hem een overtuigend financieel plaatje voor te rekenen. Bijvoorbeeld als hij oude gasverwarming in een pand wil vervangen door elektrisch verwarmen. Dat speelt momenteel in het oude pand van Schoevers tegenover het Arnhemse NS-station. Werner Willems voelt zich aangesproken: “Een pand anders gaan verwarmen? Kom maar op. Die cijfers produceren is ons dagelijks werk.”

Oud denken
Frank Spuij bespeurt nog veel oud denken in het werkveld. Hij hoort dat terug van oud-studenten. Die hadden een opleiding bij de HAN gevolgd die als duurzaam gecertificeerd is. Frank Spuij: “Kan je het geleerde in de praktijk toepassen, vroegen we. De studenten gaven aan dat hun innovaties op de werkvloer in veel gevallen werden afgedaan met ‘Dat gaat te veel kosten’ of ‘Doe maar gewoon’. Waarmee het effect van de opleiding, de duurzaamheidsgedachte, de nek wordt omgedraaid. Na een paar jaar denken de studenten hetzelfde als hun werkomgeving. We lopen met sommige opleidingen voorop, maar er is een werkomgeving die dat voor een groot gedeelte niet is. En dat maakt het lastig. Die moet mee, anders biedt je een goede opleiding maar gebeurt er niks mee.” 
Juist om het werkveld anders te laten denken pleit Wim Nabbe opnieuw voor wijkgerichte aanpak. Met elkaar een plan maken om een wijk helemaal en in een keer energieneutraal te maken. In het kader van het Gelders Energie Akkoord gaat het volgens hem om dit soort grootschalige ambities. Als een woningbouwcorporatie eraan meewerkt is het meteen goed voor het imago. 
Peter Koenders vertelt dat duurzaamheids-experimenten van woningbouwverenigingen een mooi neveneffect hebben. Particuliere woningbezitters haken er vaak op aan. Ze zien dat hun woning een achterstand heeft en willen het pand wel graag courant houden. Dus ze moeten investeren. Ron van Wijk ziet innovatie uiteindelijk als een mensenkwestie: “Je kunt verzinnen wat je wilt, maar je moet mensen hebben die buiten de gebaande paden willen lopen. Die risico naar zich toe willen trekken. Die menselijke factor, waar de energie zit, moet je zien te pakken.” 
Wim Nabbe: “En de successen van die koplopers in beeld brengen. Dan gaat het werken.” 
Werner Willems wil mikken op het gezamenlijk belang om verder te komen: “Daar voel ik 
me enorm toe uitgenodigd. Kom bij elkaar 
en ga niet weg voor je er samen uit bent hoe 
je iets gaat maken.”
Frank Spuij nodigt tenslotte alle deelnemers aan het gesprek van harte uit om HAN-studenten te betrekken bij duurzame 
innovaties. «

Tekst: Paul de Jager // Fotografie: Kees van Welzenis