Gepubliceerd op 20 juni 2018

Concurrerend blijven in Industry 4.0

Industry 4.0, het verbeteren van productieprocessen door gebruik te maken van sensortechnologie en automatisering, rukt op. Het Nederlands bedrijfsleven moet erin mee om voorop te blijven lopen in Europa. Maar voor veel bedrijven lijken de moderne technologische ontwikkelingen nog ver weg. Zeven deskundigen bespraken bij de school voor technisch onderwijs Technovium in Nijmegen de stand van zaken.

In de toekomst zullen er meer apparaten dan mensen op internet zitten. De rol van de mens verkleint. Maar zover is het nog niet. Industry 4.0 gaat nu vooral over een trend van automatisering en gegevensuitwisseling om industriële fabricagetechnieken te verbeteren. Rikus Wolbers is directeur van Novio Tech Campus in Nijmegen. Op de campus zijn innovatieve bedrijven gevestigd op het vlak van health en high tech. Aan die combinatie komt veel Industry 4.0 te pas. Maar Wolbers trekt Industry 4.0 breder dan alleen industrie: “Het gaat hier vooral over de connectiviteit; deuren die opengaan als je aan komt lopen, koffie apparaten die je op afstand aan kunt zetten, domotica toepassingen voor zorgbehoevende bewoners, camera’s, rookmelders, thermostaat, alles praat met elkaar en geeft gegevens door. Hierdoor verandert er het nodige rondom de consument, wat ook weer effect heeft op de bedrijven. De onderhoudsmonteur komt bij je, net voordat je CV-ketel het begeeft. Je bouwer installeert in je bedrijf of woning sensoren om zo warmteverlies, lawaai of gassen op te sporen en zichtbaar te maken.” Directeur Technovium Folkert Potze ziet dat door Industry 4.0 in bedrijfsvoering front- en backoffice slim worden geïntegreerd. Zo produceert het bedrijf 247TailorSteel dag en nacht buizenmateriaal, nadat de order digitaal is ingegeven.

Meetsysteem

“Samenwerken is naar elkaar toegroeien, maar ook zelf groeien en verbeteren”

Met behulp van nieuwe sensortechnologie en automatisering worden veel data verzameld. Wat heeft de industrie daar aan? Eric Sülter, directeur van TEVEL Techniek BV geeft een voorbeeld: “We hebben een geautomatiseerd systeem ontwikkeld om een nieuw ontwikkeld scharnier van een deur te testen. Het uitzakken van het scharnier is bepalend voor de kwaliteit van het product.

We hebben met ons duurtest systeem gemerkt dat in de beginfase van de test het scharnier een millimeter was gezakt. De klant wilde het niet geloven, maar de data logen niet. Het is een simpel voorbeeld dat een nieuw licht wierp op het startmoment, direct na het inzetten van het scharnier. We hebben de productkwaliteit meetbaar gemaakt en de klant kon daarmee aan de slag om zijn product te verbeteren. Een volgende stap is dat de technologie zélf conclusies trekt en een verbetervoorstel uitwerkt. Daar staan we aan de vooravond van.”

Analyseren
Rick Schouman is manager maintenance & projects bij installatiebedrijf in industriële techniek Modderkolk. Hij verricht met de medewerkers van Modderkolk onderhoud aan technische installaties bij een grote chip producent. Modderkolk ontwikkelde zelf applicaties om de communicatie met de klant te optimaliseren. Die kan precies zien waar de medewerkers van Modderkolk optraden om storingen te voorkomen of op te lossen. Schouman: “Vooraf zijn daar afspraken over gemaakt aan de hand van de Critical Performance Indicator; we stemmen af waar de installatie aan moet voldoen en dat handhaven wij. Werkzaamheden en kosten kunnen we ramen. Dat brengt transparantie naar de klant. Maar andersom is de klant ook transparant naar ons: samen maak je afspraken en probeer je een win-winsituatie te krijgen.” Modderkolk zit diep in de bedrijfsprocessen van de klant. Het vervangt ook softwareprogramma’s bij de klant door programmatuur die meer kan meten en analyseren.

Ketensamenwerking
Ruud Schuurman is innovatiemakelaar voor Arnhem en Nijmegen bij het Regionaal Centrum voor Technologie Gelderland. “Ik makel en schakel tussen ondernemers en probeer kennis en kunde in een regio met elkaar te verbinden zodat innovatie versneld wordt”, zo omschrijft hij zijn werk. Hij ziet innovatie als dé troef voor de Nederlandse ondernemers tegen de mondiale concurrentie. Toch staat die innovatie onder druk, merkt hij: “De uitdaging in de groeiende economie is dat je ondanks dat je druk bent met je bestaande klanten, tijd moet maken voor innovatie. Het is belangrijk om te blijven innoveren, kijkend naar Duitsland, China of het Amerikaanse Silicon Valley.” Door ketensamenwerking, elkaar helpen, alle krachten in de regio inzetten, kan innovatie een blijvend proces zijn, denkt Schuurman. Dat gebeurt al veel, zo ziet hij, maar het is goed om telkens nieuwe verbindingen te leggen. Voor de circulaire economie ziet hij eveneens kansen in de regio. Maar ook daar geldt dat samenwerken troef is. De kersverse innovatiemakelaar Schuurman bekijkt ontwikkelingen graag praktisch. Hij is dan ook nauw betrokken bij de organisatie van een RCT Gelderland-event op 13 juni over Internet of Things.

Rick Schouman noemt ketensamenwerking een logisch groeiscenario, een proces van integratie van systemen, werkwijzen en zienswijzen van partners. Het resultaat is meer dan de som der delen. Schouman: “Samenwerken is naar elkaar toegroeien, maar ook zelf groeien en verbeteren. Hiermee worden we samen slimmer, schoner en socialer. Wij doen dat met onze klanten, daar zitten we dicht op. We worden bij aanbestedingen betrokken omdat we een rol hebben in productieprocessen. Zo ver gaat het. Daar zit natuurlijk een element van kwetsbaarheid in. Maar het is dé manier om innovatief te blijven en prettig samen te werken.” Eric Sülter heeft gemerkt dat bedrijven nog huiverig zijn voor kennisdelen. Toch is het hem gelukt daar met klanten goede afspraken over te maken. Rikus Wolbers herkent het: “Je werkt samen omdat de andere partij kennis van zaken heeft. Die ervaring doet hij op tijdens werkzaamheden bij anderen. Daardoor wordt hij interessanter voor andere partijen. Als je zegt we sluiten dat uit, dan is dat niet een gezonde situatie. Uiteindelijk wil je dat de keten in z’n geheel zo sterk mogelijk is. Als je onderdeel uit maakt van een sterke keten dan gaat het met jou ook goed.”

Open innovatiecentrum
Rikus Wolbers werpt de stelling op dat de ontwikkeling van een high tech open innovatiecentrum in de regio noodzakelijk is om Industry 4.0 mogelijk te maken. Hij legt uit: “Ik snap dat bedrijven de laatste fase van hun productontwikkeling alleen willen doormaken. Daarna moeten ze immers met het nieuwe product als bedrijf de wereld veroveren. Maar aan die eindfase gaat een fase van drie tot vijf jaar vooraf, waarin de meer fundamentele research plaats vindt. In die fase kunnen bedrijven meer samenwerken om ontwikkelingen te versnellen om zo de voorsprong in kennis te behouden. Die samenwerking kan vorm krijgen in een Open Innovatiecentrum. Zo’n centrum ontwikkelen we nu samen met BC SEMI Netherlands, de organisatie waarin de Nederlandse semicon industrie zich heeft verenigd. We hebben het de mooie naam Chip Integration Technology Center (CITC) meegegeven. Laten we zorgen dat we onze voorsprong op het gebied van de chipontwikkeling behouden, versterken en uitbreiden met dat centrum.” De papieren voor een dergelijk centrum zijn goed, vertelt Wolbers. Er ligt al een Letter of Support die onder andere door de grote drie chip bedrijven uit Nijmegen is ondertekend; NXP, Ampleon en Nexperia. Maar ook de andere bedrijven uit de regio zoals Sempro, Trymax en Sencio staan achter het initiatief. Wolbers: “Het mooie is verder dat ook vanuit de Radboud Universiteit, de TU Delft en de University of Twente erkent wordt dat dit een goed plan is en dat we in deze regio hier top in zijn. Zij ondersteunen het CITC ook.”

In het coalitieakkoord van Nijmegen is volgens Wolbers al twee miljoen gereserveerd. Daarmee is de triple helix compleet. Het is ook logisch dat de Hogeschool Arnhem en Nijmegen en ROC’s betrokken gaan worden bij het nieuwe centrum. Wolbers tot slot: “De behoefte is er, van daaruit bouwen we nu verder. Het is een regionale ontwikkeling met een landelijke en europese ambitie. Wanneer de regio zich hier sterk voor maakt, worden we met Nederland en de regio een nog grotere speler in het creëren van een connected world.”

Onderwijs
Folkert Potze is onderwijsdirecteur bij het ROC Nijmegen. Hij vraagt – als het over innovatie gaat – nadrukkelijk aandacht voor de inbreng van ‘zijn’ studenten. Want die wordt volgens hem nogal eens over het hoofd gezien. En dat is onterecht, weet hij. Potze noemt als voorbeeld de broodbakindustrie. In de Achterhoek zijn dat grote bedrijven met elk een miljoenenomzet. Mbo-studenten waren betrokken bij opmerkelijke verbeteringen in de productieprocessen. Op de werkvloer voelt de mbo’er zich thuis en denkt op een innovatieve manier mee. “Maak er gebruik van, daag ze uit”, houdt hij ondernemers uit het Midden- en kleinbedrijf voor.

Potze’s stelling gaat nog verder: “Startups zullen zich sneller ontwikkelen indien ze gemakkelijker kunnen gaan beschikken over mbo-stagiaires.” Toch zijn er nog beren op de weg. Accreditatie voor een stage bij bedrijven is aan regels gebonden. De Stichting Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) houdt toezicht. De stageplek moet aansluiten bij de opleiding. Maar daar zit hem nu juist de kneep in het licht van het snel innoverende bedrijfsleven. Potze: “Je kunt timmerman, applicatie ontwikkelaar, engineer, elektricien, installateur worden. Dat is allemaal mogelijk. Maar op de snijvlakken van die beroepen ontstaan hele nieuwe producten en bedrijfsprocessen die niet meteen herkend en erkend worden. We mogen wat mij betreft als onderwijsinstelling wel wat meer regelruimte krijgen om daar op in te springen. Soms biedt een bedrijf misschien niet een volwaardige stageplek, maar wel een geweldige leerplek. Naast de bekende gouden handjes zit er ook nog een verrassende kop op die mbo’er. Ik noemde al de proces-en productinnovaties die in de Achterhoek mogelijk werden door mbo-studenten in samenwerking met hbo’ers. Bij start-ups zie ik ook kansen voor beide partijen, voor enthousiaste ondernemers én studenten.”

Vakgroepen
Potze geeft aan dat de ROC’s open staan voor nieuwe ontwikkelingen. Naar buiten toe zetten ze de deuren daartoe wijd open. Maar ook intern gebeurt dat. De ROC’s werken in vakgroepen waar bijvoorbeeld ICT’ers, of werktuigbouwkundigen, worden opgeleid. “Maar er is geen project meer dat geen multidisciplinair karakter heeft. Er zit altijd wel iets van een ander bij. Dat is ook Industry 4.0. Communicatie, leren praten met die ander, die een andere ambitie heeft. Dan ontstaan er win-win situaties.”

Eric Sülter heeft goede ervaringen met de studenten binnen zijn bedrijf: “Ik heb twee hts’ers aan de slag, ze kwamen van de mts. De HAN maakt dat mogelijk door duaal leren aan te bieden: twee dagen naar school, drie dagen werken. Wij betalen de opleiding. Op die manier lopen ze door het hbo heen. Het zijn engineers, juist aan de technische mechatronica-kant leggen we een betere basis omdat ze de praktijk meteen zien.”

Marcel Hulshof is makelaar bij Keizer Karel bedrijfsmakelaars. Hij volgt de discussie met belangstelling en is blij met het betoog van Potze. Het gaat over mensen en mensen zullen ondanks de automatisering nog een tijd nodig zijn, is zijn inschatting. Hij wijst op de ontwikkeling van grote webwinkels om toch weer fysieke winkels in steden te openen. Mensen willen blijkbaar toch graag die broek even passen voor ze hem kopen. In de kantorenmarkt ziet Hulshof geen ontwikkelingen onder invloed van Industry 4.0. Wel ziet hij een steeds grotere flexibiliteit onder het kantoorpersoneel, nu inloggen niet meer van één fysiek kantoor afhankelijk is. “Er worden inderdaad steeds meer chips en robots geproduceerd, maar ik denk dat het nog minstens 20 jaar gaat duren voordat je dat echt gaat merken in het personeelsbeleid”, schat Hulshof in.

Instroom
Frans van Woesik is directeur techniek van ROC Rivor, dat het Gelders rivierengebied beslaat. De toepassingen volgens Industry 4.0 ziet hij onder andere komen in de fruitteelt en de logistiek. Bedrijven in de maakindustrie die zich specifiek bezig houden met de ontwikkeling van toepassingen zijn volgens hem echter nog niet gericht op het regionale mbo. De focus van het bedrijfsleven op Industry 4.0 ligt nu nog vooral op hbo-niveau. Toch zijn er wel degelijk onderwijszaken die hem bezig houden en die op termijn met Industry 4.0 te maken hebben. Dat gaat bijvoorbeeld over de instroom van het technisch onderwijs. Neem vmbo Tiel met 180 nieuwe leerlingen voor het basis- en kaderonderwijs. Daarvan gaan er naar schatting zestig naar de technische kant. Maar die beslaat zorg en welzijn, ondernemerschap en dienstverlening en de afdeling techniek. “Wij schatten dat zo’n acht tot tien leerlingen van die groep echt voor techniek kiezen”, rekent Van Woesik voor. Bedroevend weinig dus. Hij constateert dat veel praktisch ingestelde leerlingen zich wel willen aanmelden voor de basis- en kaderopleidingen van de ROC’s maar dat de ouders daar een stokje voor steken. De leerling wordt naar de havo gestuurd, waar hij zich vervolgens niet thuis voelt.

Techniek heeft nog steeds een imagoprobleem. Door als regering 100 miljoen te investeren in nieuwe praktijklokalen, kom je er volgens Van Woesik niet. Van Woesik: “Hoe verleid je die leerling om toch voor techniek te kiezen? Door ze binnen een bedrijf, in een andere, attractieve leeromgeving kennis te laten maken met techniek. Zodat ze thuis komen met enthousiaste verhalen. Als ik dat aan bedrijfsleven voorstel, geeft die nog vaak niet thuis omdat de productie zou lijden onder de begeleiding van onze studenten. Maar als het bedrijfsleven iets wil van het mbo, dan zal het zelf ook moeten investeren. Personeel vrij maken voor de daadwerkelijke begeleiding van leerlingen. Bedrijfsproject op de uitvoeringslocatie. Dán gaan de leerlingen pas echt voelen en begrijpen hoe mooi techniek kan zijn.”

Tekst: Paul de Jager // Fotografie: Istar Verspuij