De wijzigingen voor de aangifte Inkomstenbelasting (IB) voor 2026 zijn te kenmerken als een jaar waarin een paar grote wijzigingen uit het afgelopen jaar doorwerken, terwijl box 3 opnieuw wordt aangescherpt. Het echte werk zit steeds vaker in administratie en onderbouwing voor box 3: wie wil afwijken van het forfait moet het werkelijke rendement kunnen laten zien. Tegelijk schuift de horizon door richting een werkelijk-rendementstelsel dat beoogd is voor 2028.
In box 1 gelden in 2026 nieuwe schijfgrenzen en tarieven: 35,75% tot € 38.883, 37,56% tot € 78.426 en daarboven 49,5%. Dit is wel een relatief grote wijziging, maar in principe hoeft de belastingbetaler hier zelf niets mee te doen in de aangifte omdat de fiscus dit automatisch berekent. Daarbij is relevant dat de inflatiecorrectie niet volledig is toegepast, waardoor grenzen en heffingskortingen minder hard meestijgen en mensen eerder in een hogere schijf terechtkomen dan bij volledige indexatie. Voor aftrekposten blijft het praktische effect dat het “maximale aftrektarief” voor veel posten niet het toptarief is, maar op het tweede schijftarief ligt; dat mechanisme speelde al in 2025 en werkt in 2026 door. Een tweede aandachtspunt dat sinds 2025 structureel doorwerkt, is de algemene heffingskorting. Die wordt verminderd op basis van het verzamelinkomen, dus box 1 plus box 2 plus box 3, waardoor ook relatief passieve inkomsten uit dividend.

Ondernemers

Voor ondernemers in de IB zit de meest tastbare wijziging in de zelfstandigenaftrek. In 2026 is die € 1.200 bij voldoen aan het urencriterium en nog geen AOW-leeftijd. Het fiscale voordeel daarvan is bovendien begrensd: het wordt in 2026 berekend tegen maximaal 37,56%. De mkb-winstvrijstelling blijft in 2026 12,7% van de winst na ondernemersaftrek, maar ook hier geldt dat het voordeel wordt berekend tegen maximaal 37,56%. Dit is typisch een wijziging die niet ingewikkeld is, maar wel doorwerkt in voorlopige aanslagen en liquiditeitsplanning: dezelfde winst levert netto minder op dan een paar jaar geleden, simpelweg omdat de aftrekposten afkalven. Voor aanmerkelijkbelanghouders blijft het tweeschijventarief bestaan. In 2026 geldt 24,5% tot € 68.843 en 31% vanaf dat bedrag. Dat maakt dividendtiming nog steeds relevant, vooral bij fiscale partners die het lage tarief samen over een hoger totaal kunnen benutten. De daling van het toptarief in 2025 naar 31% blijft in 2026 staan.

Box 3

Box 3 blijft het meest bepalend, omdat het forfaitaire stelsel met tegenbewijs, het werkelijk rendement, nog steeds het speelveld is. De Opgave Werkelijk Rendement (OWR) zit sinds 2026 , voor de aangifte over 2025. Dit scheelt een los formulier en de koppeling aan bezwaar en afhandeling. Wie werkelijk rendement wil benutten, moet het kunnen onderbouwen. Ook voor 2026 blijft relevant dat aan- en verkopen bij beleggingen vaak niet vooraf zijn ingevuld. Bij banktegoeden verschijnt meestal vooral het saldo en niet de rente, en bij crypto is vooraf invullen beperkt; administratie en bronstukken blijven dus essentieel.

Voor 2026 komt daar een harde beleidsmatige aanscherpingen bij: het heffingsvrije vermogen is per 2026 uiteindelijk verhoogd naar 59.357 per persoon. Het “eigen gebruik”-punt is voor 2026 bovendien concreter gemaakt. In de fiscale discussie rond werkelijk rendement bij vastgoed krijgt eigen gebruik een waarde: de economische huurwaarde (de huur die onder normale omstandigheden bedongen zou kunnen worden) wordt forfaitair gekoppeld aan de WOZ-waarde. In de toelichting bij het Belastingplan wordt voor 2026 daarvoor 5,06% als (voorzichtig) forfaitair uitgangspunt genoemd. Ook een relevant 2026-punt betreft vakantiewoningen die niet worden verhuurd: naast de WOZ-waardemutatie telt dan ook een voordeel voor eigen gebruik mee bij het werkelijk rendement.

Zorgkosten en groen beleggen

De vereenvoudiging bij specifieke zorgkosten voor vervoer werkt in 2026 door: autokilometers mogen tegen € 0,23 per km worden opgevoerd en daarnaast bestaat onder voorwaarden het vaste extra bedrag van € 925; parkeerkosten mogen apart worden meegenomen. Voor groen beleggen blijft het beeld dat het voordeel sinds 2025 fors is teruggebracht en in 2026 beperkt blijft: de vrijstelling is € 26.715, voor fiscaal partners: € 53.430, en de heffingskorting is 0,1%.
Onder de streep is 2026 dus vooral een jaar waarin het aangifteproces administratie-intensiever wordt op precies de plekken waar de Belastingdienst minder vooraf kan invullen: werkelijk rendement, mutaties in beleggingen, crypto en tweede woningen met eigen gebruik. Wie tijdig brondata vastlegt en vooraf nadenkt over schijf- en aftrekeffecten, zeker bij ondernemers en DGA’s, voorkomt dat de aangifte achteraf een reconstructieproject wordt.